Uit het voorwoord van de “Taal- en Letterbode 1870” de opvolger van “De Taalgids”
Zal de studie van onze moedertaal zich behoorlijk ontwikkelen en ook voor 't beschaafde deel onzer natie vruchten afwerpen, dan moet er een tijdschrift bestaan, dat uitsluitend aan de beoefening van 't Nederlandsch gewijd is. Tot nog toe voorzag de Taalgids in die behoefte en stelde, dank zij den onvermoeiden ijver zijner wakkere redacteurs, gedurende een reeks van jaren onzen taalgeleerden de gelegenheid open tot 't openbaar maken van de uitkomsten huns onderzoeks. Maar de dood van den uitnemenden TE WINKEL bracht hierin verandering. Zijn verdienstelijke medearbeider, de Heer VAN DIJK, zag zich door zijne
drukke beroepsbezigheden in de onmogelijkheid gesteld om den last van 't redacteurschap alleen te dragen. 'T gevolg daarvan was, dat de Taalgids ophield te bestaan. Van verschillende zijden werden nu pogingen gedaan om iets nieuws tot stand te brengen, maar vergeefs. Eindelijk wendden zich de Erven Bohn tot ons met verzoek de Redactie te aanvaarden van een tijdschrift geheel in den geest van den Taalgids ingericht. Hoewel alles behalve blind voor de groote bezwaren daaraan verbonden, meenden wij echter een in onze oogen zoo belangrijke zaak door een weigering niet te mogen tegenhouden. Aldus ontstond de Taal- en Letterbode, gelijk wij ons pleegkind doopten, en zagen wij ons genoodzaakt 't doornige redacteurspad te betreden. Zal onzen Bode een lang leven beschoren zijn?